Noten
INLEIDING
1 De Extropianen gaan erg ver, maar dezelfde ideeën komen naar voren in serieus getoonzette boeken zoals Mind Children van Hans Moravec, Cambridge, Harvard University Press, 1988.
2 Een tendens die volgens Martin Heidegger bepalend is voor ons moderne begrip van wat het betekent om iets te zijn. Zie: Martin Heidegger, âDie Frage nach der Technikâ, in Die Technik und die Kehre, TĂŒbingen, Verlag GĂŒnther Neske Pfullingen, 1962.
3 Er zijn natuurlijk ook innovaties geweest. Bibliotheken zijn volledig veranderd door nieuwe manieren om informatie te koppelen; onderwijs-websites op hogescholen en universiteiten hebben Studenten in staat gesteld om thuis op hun kamer colleges te volgen en aan discussies mee te doen; telerobotica heeft het mogelijk gemaakt een voertuig op Mars te besturen en op een dag zullen miljoenen kijkers ongetwijfeld van het uitzicht uit zoân voertuig genieten terwijl het over de Marsbodem rijdt; ten slotte heeft e-mail verrassende mogelijkheden geschapen, van politieke dissidenten die samen voor hervormingen strijden tot trotse grootouders die hun vrienden de laatste digitale fotoâs van hun kleinkinderen sturen. Maar al deze verrassende nieuwe ontwikkelingen vallen in het niet bij wat er was voorspeld.
4 A. Harnon, âResearchers Find Sad, Lonely World in Cyberspaceâ, The New York Times, 30 augustus 1998. Harnon vervolgt deze passage met:
Overigens kregen alle proefpersonen aan het begin van het tweejarige onderzoek een psychologische vragenlijst voorgelegd, en het was niet zo dat de deelnemers die het hoogst scoorden op eenzaamheid en neerslachtigheid, gemiddeld meer gebruikmaakten van het Internet. Het lijkt er veeleer op dat het internetgebruik zélf een afname van psychologisch welbevinden veroorzaakt, aldus de onderzoekers.
5 R. Kraut, M. Patterson, V Lundmark, S. Kiesler, T. Mukophadhyay en W Scherlis, âInternet Paradox: A Social Technology that Reduces Social Involvement and Psychological Well-Being?â American Psychologist, 1998, vol. 53, nr. 9, pp. 1017â1031.
6 Ibid. Het lijkt erop dat het ontbreken van fysieke aanwezigheid ook kan leiden tot een soort moreel isolement. Toen Larry Froistad aan zijn e-mail-lotgenotengroep opbiechtte dat hij zijn dochter had vermoord, boden de leden van de groep hem hun deelneming aan; slechts één groepslid vond dat ze hem bij de politie moesten aangeven. Zie: âOn-Line Thoughts on Off-Line Killingâ van Amy Harnon, The New York Times, 30 april 1998. âVolgens mevrouw De Carlo lag het vooral aan de aard van de online-communicatie â die naast de fysieke ook een psychologische afstand tussen deelnemers creĂ«ert â dat haar vrienden hun offline-verantwoordelijkheid om een moordenaar aan te geven, verzaakten.â
7 J.P. Barlow, âA Declaration of the Indepence of Cyberspaceâ, Davos, Zwitserland, 8 februari 1996, http://members.iquest.net/Ëdmasson/barlow/Declaration-Final.html
8 Moravec, op. cit.
9 Kurzweil, The Age of Spiritual Machines, New York, Penguin, 2000.
10 Dyson et al., âCyberspace and the American Dream: A Magna Carta for the Knowledge Age. Release 1.2â, Washington, The Peace and Progress Foundation, 1994.
11 Plato, âGiorgiasâ, 492e7-493aS. Socrates zegt: âIk heb een van onze wijze mannen ooit horen zeggen dat wij nu dood zijn, en dat ons lichaam (soma) een tombe (sema) is.â
12 Plato, âPhaedoâ, The Last Days of Socrates, Baltimore, Penguin, 1954, p. 84.
13 F. Nietzsche, Thus Spoke Zarathustra (Also sprach Zarathustra), New York, Viking Press, 1966, p. 35.
14 Ibid., p. 34.
EEN DE HYPE OVER HYPERLINKS
1 National Public Radio, âThe Future of Computingâ, Talk of the Nation, Science Friday, 7 juli 2000.
2 S. Lawrence en C.L. Giles, NEC Research Institute, âSearching the World Wide Webâ, Science, 280, 3 april 1998, p. 98. Bovendien is de grootte niet alleen het aantal websites of paginaâs; het aantal ingebedde hyperlinks op de webpaginaâs is zelfs nog groter.
3 Dit âvrije koppelenâ van alles aan alles kwam onlangs in het geding door enkele interessante rechtszaken, waarbij de eisers personen aanklaagden die koppelingen naar hun webpagina hadden aangebracht. Dit betreft natuurlijk slechts een fractie van een fractie van een procent en het is zeer onwaarschijnlijk dat dit gevolgen van enige omvang zal hebben op de ietwat lukrake wijze waarop het Web wordt beheerd. Het is ongetwijfeld weinig meer dan de laatste snik van de oude garde die probeert toch enige grenzen te stellen aan de uiteindelijke koppeling van alles aan alles.
4 Het deweysysteem werkte bijvoorbeeld op deze manier. Bij dit decimale classificatiesysteem was het niet eens toegestaan hetzelfde item onder twee verschillende categorieën op te slaan, maar tegenwoordig hebben bibliothecarissen meer speelruimte en archiveren ze dezelfde informatie onder meerdere verschillende ingangen. Zo staat Godsdienstfilosofie waarschijnlijk zowel onder Godsdienst als onder Filosofie. Maar er is altijd een hiërarchische taxonomie overeengekomen.
5 David Blairs boek, Language and Representation in Information Retrieval, New York, Elsevier Science, werd in 1999 door de American Society for Information Science gekozen tot het beste informaticaboek, en Blair werd in datzelfde jaar door dezelfde vereniging uitgeroepen tot âOutstanding Researcher of the Yearâ.
6 Blair voegt toe dat âwe denken dat we informatie structureren voor een bepaalde toepassing of praktijk, maar vergeten dat deze toepassing of praktijk ons helpt die informatie te structureren. Ik noem dit âNatuurlijke Verzamelingenâ van informatie. De selectie en structurering van informatie ten behoeve van een bepaalde praktijk is dus een interactief proces. Het Web nu belet of ontmoedigt deze natuurlijke wisselwerking tussen informatie en praktijk.â
7 Het moderne subject, zoals de filosofische term luidt, ontstond aan het begin van de zeventiende eeuw toen de mensen, onder invloed van Luther, de drukpers en de nieuwe wetenschap, zichzelf begonnen te beschouwen als onafhankelijke individĂșen. Descartes introduceerde het denkbeeld van het subject als datgene wat aan veranderlijke mentale toestanden ten grondslag ligt en Kant Stelde dat het subject, als datgene waarin de objectieve wereld tot stand komt, vrij en autonoom moet zijn. Zoals we in hoofdstuk 4 zullen zien, concludeerde SĂžren Kierkegaard dat ieder van ons een subject is dat geroepen is een vaste identiteit aan te nemen; zo bepaalt iemand wie hij is en wat in zijn wereld betekenis heeft.
8 The New York Times, 9 januari 2000.
9 Uit het binnenkort te verschijnen boek van David Blair, Wittgenstein, Language and Information.
10 D. Blair, âWill it Scale up? Thoughts about Intellectual Access in the Electronic Networksâ, in A. Okerson (red.), Gateways, Gatekeepers, and Roles in the Information Omniverse, Washington, Association of Research Libraries: Office of Scientific and Academic Publishing, 1994.
11 Zie H. Dreyfus, What Computers (Still) Canât Do, 3e druk, Cambridge, MIT Press, 1992.
12 Zie D. Lenat en R.V. Guha, Building Large Knowledge-Based Systems, New York, Addison Wesley, 1990.
13 Ibid., p. 4.
14 V. Pratt, CYC Report, Stanford University, 16 april 1994.
15 R.V Guha en W. Pratt, âMicrotheories: An Ontological Engineerâs Guideâ, MCC Technical Report Number CYC-050â92, 1992, p. 15.
16 Ibid.
17 R.V. Guha en A.Y. Levy, âA Relevance Based Meta Levelâ, MCC Technical Report Number CYC-040â90, 1990, p. 7.
18 Ibid.
19 In een gesprek vertelde Guha mij dat hij en Lenat merkten dat ze honderden relevantie-axiomaâs nodig hadden en hun poging opgaven nadat ze er een duizendtal geformuleerd hadden. De onderneming lijkt dus hopeloos, temeer daar men, als men zo veel relevantie-axiomaâs nodig heeft, uiteindelijk relevantie-axiomaâs van een hogere orde nodig heeft om te bepalen welke relevantie-axiomaâs in een gegeven context relevant zijn.
20 D. Swanson, âHistorical Note: Information Retrieval and the Future of an Illusionâ, Journal of the American Society for Information Science, vol. 32, nr. 2, 1998, pp. 92â98.
21 De rol van het lichaam voor de manier waarop wij ruimte, tijd en voorwerpen ervaren, wordt tot in detail uitgewerkt in S. Todes. Body and World, Cambridge, MIT Press, 2001.
22 Persoonlijke mededeling aan de auteur.
23 G. Rios, persoonlijke mededeling, mijn cursivering. Rios vervolgt: âSommigen proberen de prestaties van machines te verbeteren met een nabijheidscriterium: een document wordt hoger gepositioneerd als de zoektermen dichter bij elkaar blijken te liggen in het document. Maar ook hier is het weer de vraag wat de juiste manier is om nabijheid te waarderen. Dat verschilt natuurlijk per context en per onderwerp, zodanig dat het voor een mens wellicht helder is, maar voor een computer blijft het ondoorgrondelijk.â Hij merkt verder op dat veel zoekvragen (ongeveer de helft) uniek zijn, en dat daarbij de prestatie waarschijnlijk met de helft afneemt.
24 D. Swanson, op. cit.
TWEE HOE VER LIGT TELELEREN AF VAN ONDERWIJS?
1 T. Oppenheimer, âThe Computer Delusionâ, The Atlantic Monthly, juli 1997.
2 Zie Dreyfus en Dreyfus, Mind over Machine, New York, Free Press, 1988, hoofdstuk 5.
3 De verrassendste aanbeveling is afkomstig van de voormalig minister van onderwijs van de Verenigde Staten, William Bennett. Zoals te lezen is in de New York Times van 28 december 2000 heeft Bennett ooit gezegd: âWanneer u de zoveelste belofte hoort over de onbegrensde mogelijkheden van cyberleren voor uw kind, denkt u er dan wel aan dat er tot dusverre geen echt bewijs voor is dat het gebruik van computers de leerprestaties significant verbetert.â Maar onlangs âverklaarde Mr. Bennett dat hij bezig was een particuliere school genaamd Kl 2 op te richten die het...